Logo Universiteit Utrecht

Humanities Honours Blog

Actualiteit

Humans of Honours – Floor Eijkelboom

Door Thirza van Hofwegen, in samenwerking met Ongehoord Journal HHP

Floor Eijkelboom is 21 jaar oud, woont in Utrecht en is derdejaars student Kunstmatige Intelligentie (KI) in de richting van Informatica/Programmeren (met een minor in Wiskunde) en tweedejaars HHP-student. Op dit moment is hij bezig met het schrijven van zijn Honoursscriptie, waarin hij probeert een efficiëntere methode te vinden om grote dataverzamelingen op te delen in makkelijker te interpreteren componenten. Daarnaast zit hij voor het tweede jaar in de opleidingscommissie van zijn studie KI.

‘Bij KI hebben we drie hoofdrichtingen – een filosofie/logica hoofdrichting (Reasoning), een psychologie-hoofdrichting (Cognitive processing) en een informatica-hoofdrichting (Learning and Computation). De laatstgenoemde heb ik gevolg. Ik vind het heel waardevol dat ik een interdisciplinaire studie doe. KI is per definitie een studie waarbij een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt bestudeerd, bijvoorbeeld vanuit de taalkunde en psychologie. Ik twijfelde in eerste instantie of ik mijn studie bij een technische universiteit wilde volgen of in Utrecht. Achteraf ben ik echt wel blij dat ik een meer theoretische opleiding heb gedaan. Nadenken waarom bepaalde technieken werken en het gehele plaatje dat daarbij hoort, vind ik namelijk heel interessant.

 

 

Het verschil tussen de faculteiten van Geesteswetenschappen en Bètawetenschappen is best groot, dat had ik van tevoren niet verwacht. Ik heb ook drie vakken bij Sociale Wetenschappen gevolgd. Ik merk tussen al drie faculteiten zoveel verschillen. Bijvoorbeeld het type student dat daar is, maar ook hoe het bestuur van zo’n vak met studenten omgaat. Ook de werkdruk en de indeling van vakken verschillen . Bij een wiskundevak had ik bijvoorbeeld elke maandag een toets en 5-6 grote opdrachten doorheen het vak, plus twee tussentijdse tentamens en twee eindtentamens. Dat is echt heel veel. De druk bij een wiskundevak is constant hoog. Je moet elke week presteren. Bij Geesteswetenschappen daarentegen ligt de druk veel meer op het einde van het vak. Wiskundevakken duren ook 9 weken, met in de tiende week twee tentamens en eventueel deadlines van twee grote opdrachten. Bij Bètawetenschappen hebben we ook geen reflectieweken daarna, je gaat gewoon door.

Daarnaast kun je ook veel makkelijker een vak bij Sociale Wetenschappen of Geesteswetenschappen volgen dan bij de Faculteit Bètawetenschappen. Wiskundevakken zijn namelijk best wel dichtgetimmerd. Je hebt een dictaat dat je volgt. Dat moet ook wel, want bij wiskunde moet je in een korte tijd heel veel kennis over kunnen brengen. Veel wiskundevakken bouwen ook voort op vorige vakken. In blok 2 nemen ze dus aan dat je alle kennis van de vakken die je in blok 1 gevolgd hebt snapt en dat je ook het parallel-vak in blok 2 aan het volgen bent en snapt. Je kan dus niet een tweede of derde blok vak van wiskunde volgen als je de vakken  daarvoor niet gedaan hebt. Dat alles op elkaar voortbouwt vind ik persoonlijk heel leuk, omdat je echt steeds je kennis verder uitbreidt. wiskunde is in die zin een discipline – je leert dingen en uit die dingen ga je weer dingen afleiden, en uit die dingen ga je weer nieuwe dingen afleiden, en dat gaat drie jaar door, of misschien wel langer. Het is alleen maar verdiepend.

Ik ben er niet over uit wat ik beter of fijner vind. Ik voel mij over het algemeen bij Geesteswetenschappen meer serieus genomen. Ook vind ik de vrijheid die je bij Geesteswetenschappen hebt om opdrachten vorm te geven fijn. Aan de andere kant heb ik wel het gevoel dat ik over de hele linie bij bètavakken meer leer of meer kennis tot mij opneem. Ik denk dat het voor bètastudenten wel loont om een keertje een geschiedenis vak te doen en andersom, gewoon om een keertje mee te maken hoe radicaal anders de vakken van zo’n faculteit opgezet zijn. Het is heel leuk om dat beide faculteiten een keertje meegemaakt te hebben. Ik denk ook dat die ervaring misschien het waardevolst is dat ik aan mijn deelname aan het Honoursprogramma heb overgehouden.

Statistiek en kansrekening is wiskunde over onzekerheid, of eigenlijk met zekerheid iets zeggen over onzekerheid.

Toch twijfelde ik in eerste instantie om aan het HHP mee te doen, omdat ik niet zo goed wist in hoeverre ik zou aansluiten bij gemiddelde geesteswetenschapper. KI is niet echt een Geesteswetenschappen opleiding, maar het is ook geen Sociale Wetenschappen opleiding en het is ook niet echt een informatica-opleiding. Als KI-student hang je dus eigenlijk tussen verschillende disciplines en faculteiten in. Binnen de vakken van KI die ik heb gekozen en het meest interessant vind, ben ik wel het meest de bètakant opgegaan. Ik heb gekeken of ik een bèta Honoursprogramma kon volgen. Dat kon niet. Toen dacht ik “ik kan altijd stoppen; ik geef het HHP een kans”. Mij werd verteld dat je bij het HHP de mogelijkheid had om je te verdiepen in bepaalde academische gebieden, naast de interdisciplinaire verbreding en de maatschappelijke verbinding. Ik bedacht mij dat het mij leuk leek om met gemotiveerde studenten van Geesteswetenschappen te kijken naar een raakvlak tussen KI en de Geesteswetenschappen.

Tot op zekere hoogte voel ik mij soms nog steeds niet helemaal thuis bij het HHP. Het HHP is interdisciplinair, net als KI, maar het is wél interdisciplinair binnen bepaalde opleidingen van Geesteswetenschappen. Ik denk echter dat ik mij ook niet dat mij helemaal op mijn plek gevoeld had bij het bèta-Honoursprogramma, als dat had gekund. Ik ben gaandeweg wel gaan inzien dat Geesteswetenschappen en de mensen die daar rondlopen en daar gedreven in zijn echt heel zinnige dingen kunnen vertellen over dingen waar ik niet veel over weet, maar zeker ook over KI. Dat is iets wat ik voordat ik met het HHP begon heb onderschat. Toch ben je als KI’er bij het HHP wel een beetje een vreemde eend in de bijt. Het was niet ongewoon dat er tegen mij werd gezegd “Oh je bent KI’er, jij bent vast alleen maar met wiskunde bezig” of “Jij zal dit allemaal wel makkelijk of stom vinden”. Terwijl dat helemaal niet het geval was! Ik vind het jammer dat mensen vaak een beetje negatieve connotatie met wiskunde en ICT hebben. In de derde klas kiezen mensen hun vakkenpakket en denken dan vaak “oh ik ben niet zo’n bèta-persoon, dus ik kan maar beter geen wiskunde B kiezen”. En dan kijken ze daar vervolgens ook nooit meer naar. Dat vind ik jammer, omdat ik geloof dat het echt nuttig kan zijn om meer over wiskunde te weten, en dat wat je op de middelbare school aan wiskunde leert totaal niet lijkt op wat je op de universiteit aan wiskunde doet.

Als KI-student is het soms super frustrerend om mensen over KI te horen die er duidelijk geen verstand van hebben. Wat heel vervelend is, is dat veel mensen die er eigenlijk weinig van weten soms heel hard dingen erover roepen, of het nou in talkshows is of op blogs. Hierover ben ik het afgelopen jaar een beetje van mening veranderd. Als je mij ergens in mijn eerste jaar, misschien zelfs nog in mijn tweede jaar, mijn mening had gevraagd over mensen die negatief zijn over KI die zelf niet uit die wereld komen, dan had ik waarschijnlijk gezegd dat je niet veel zinnigs over KI kan zeggen, als je niet weet hoe alle technieken werken. Daar ben ik een beetje op teruggekomen, maar niet helemaal.

Op dit moment ben ik bezig met mijn Honoursscriptie. Mijn scriptie is verdiepend in theoretische informatica en wiskunde, met een focus op complexiteitstheorie en statistiek. Statistiek en kansrekening is wiskunde over onzekerheid, of eigenlijk met zekerheid iets zeggen over onzekerheid. Dat vind ik ergens wel magisch. Ik zou mensen, ook mensen die niets hebben met statistiek, echt aanraden om zich daar eens in te verdiepen. Studenten weten vaak wel hoe ze data moeten gebruiken, maar niet waar de getallen precies vandaan komen, terwijl juist de wiskunde daarachter heel interessant is. Bovendien, als je snapt hoe de getallen tot stand komen, kun je je resultaten vollediger interpreteren. Bij veel vakken hoor je “correlatie is geen causatie”. Dat is wel een goede leus, maar wat veel mensen niet weten is dat je wel op basis van data causale verbanden kan onderzoeken. Een van de modellen die dat kan is een ‘structural equation model’, dat kijkt naar relaties binnen de covariantiematrix van je model. Dat is een soort tabel waarin staat in hoeverre twee variabelen met elkaar samenhangen.

Aangezien je – zeker binnen Machine Learning – vaak te maken hebt met grote datasets, wil je soms je dataset versimpelen. In mijn geval ga ik kijken naar hoe je deze tabel uit elkaar kan trekken in twee makkelijkere delen. Dit proces heet ‘decompositie’. Twee matrices kunnen los van elkaar soms meer zeggen dan de gecombineerde matrix, en zo kun je ook sneller iets zeggen over de data. Het vinden van een manier om een matrix uit elkaar te trekken is ‘NP-moeilijk’. Dat wil zeggen dat een computer dat niet kan berekenen, behalve door alle mogelijke decomposities een keertje langs te gaan en te kijken welke het beste was. Dat kost veel tijd – zeker bij grote datasets – en sommige problemen kan een computer hierdoor simpelweg niet oplossen. Een grappig voorbeeld – een tweedimensionale sudoku kan een computer heel snel oplossen, een driedimensionale en een vierdimensionale ook nog. Maar bij een vijfdimensionale sudoku loopt je browser gewoon vast (als je dit zelf wil zien, ga dan naar http://flooreijkelboom.com/SudokuSolverNDim/, klik solve, dan zoekt hij de eerste oplossing). Dat is een voorbeeld van een complexiteitsprobleem. In mijn scriptie richt ik mij op het oplossen van een zo’n specifiek complexiteitsprobleem, namelijk hoe je snel een goede decompositie kan vinden bij covariantiematrices met als doel een snelle(re) manier te vinden om die decompositie te vinden.

Naast het HHP zit ik nu voor mijn tweede jaar in de opleidingscommissie van KI. Daar heb ik veel geleerd over hoe het is om op een universiteit te werken en hoe het kan dat bij echt gemotiveerde mensen het toch best vaak voorkomt dat het verkeerd loopt. Ik ben mij bewuster geworden over hoeveel belangen mensen met elkaar in zo’n grote organisatie hebben. Een docent van een vak is bijvoorbeeld ook de voorzitter van een werkgroep, maar is ook weer supervisor van iets, werkt misschien een andere collega in, en die hebben soms dan ook weer samen een paper om te schrijven. Ik kijk daar op twee manieren naar. Aan de ene kant heb ik veel sympathie gekregen, dat ik vaker denk “ach, je kan er echt niets aan doen dat sommige dingen slecht lopen” en dat mensen vaak niet zo kwaadwillend en ongemotiveerd zijn als we denken. Aan de andere kant zie ik soms ook wel docenten en studenten die er de kantjes van aflopen. Dan heb ik het niet over de situatie nu met corona, maar in het algemeen. Of ik zelf op de universiteit zou willen werken? Ik sluit het niet uit, omdat het mij tijdelijk wel leuk zou lijken. Op de lange termijn weet ik niet of de universiteit een plek is waar ik op de lange termijn blij zou zijn om te werken. Ik vind het wel leuk om andere mensen wiskunde en logica uit te leggen. Ik heb ook dit blok voor het vak Introductie Logica van de bachelor KI-video’s opgenomen, waarin ik stukken logica uitlegde.

Toen dacht ik “Wat zijn mensen toch vervreemd van die industrie, voor dat plakje kaas is een andere koe vermoord!”

Wat heel veel mensen denk ik niet van mij weten is dat ik mij in mijn vrije tijd mij met veganisme bezighoud. Ik ben nu zo’n 1,5 jaar veganist. Een goede vriend van mij die zelf al veganist was heeft mij geïnspireerd. Op een gegeven moment ging ik op een beetje rationele manier nadenken over mijn liefde voor dieren en dat ik niet wil dat ze lijden. Ik wilde geen geld meer betalen voor een industrie die dieren voor hun hele leven vastzet en ze vervolgens ook systematisch mishandelt, waarna ze als product in een doosje belanden wat ik dan opeet. Toen ben ik de documentaire Dominion (https://youtu.be/LQRAfJyEsko) gaan kijken – echt een aanrader trouwens. Daarin worden gaan ze alle sectoren van de bio-industrie langsgegaan. Er zitten zoveel connecties tussen de vlees- en de melkindustrie, iets wat mensen zich vaak niet beseffen. Wat de doorslag voor mij was om niet alleen vegetariër te worden maar overstappen naar veganisme was dat ik las dat er meer melkkoeien voor de slacht worden gebruikt dan vleeskoeien. Het is dezelfde industrie. Ik was bijvoorbeeld een keer in het Amsterdamse Bos, waar koeien en geiten lopen. Er was daar een moeder, die tegen haar kind zei: “Kijk, daar loopt een lieve koe!” terwijl ze ondertussen een broodje kaas at. Toen dacht ik “Wat zijn mensen toch vervreemd van die industrie, voor dat plakje kaas is een andere koe vermoord!”. Voor de lockdown ben ik ook best activistisch bezig geweest, dat ik het op straat met mensen over veganisme ging hebben. Dit doe ik mijn persoonlijke leven soms nog steeds. Sommige van mijn Honours projecten zijn ook wel een beetje aan mijn veganisme gelinkt. Ik heb bijvoorbeeld een column geschreven die ook op het Honoursblog is geplaatst, genaamd ‘Dier-proeven’. Dat heeft ook nog best rondgecirculeerd, best grappig.

Uiteindelijk is alles een vrije keuze – een bank overvallen is een vrije keuze, net zoals een puppy doodtrappen.

Ik heb lange tijd gedacht dat mensen zelf moesten bedenken of ze wel of niet veganistisch werden, maar zo’n anderhalf jaar geleden kwam bij mij het besef dat ik dat zelf dus eigenlijk helemaal niet vind. Uiteindelijk is alles een vrije keuze – een bank overvallen is een vrije keuze, net zoals een puppy doodtrappen. Het was voor mij direct duidelijk dat ‘vrije keuze’ op zichzelf geen goed ethisch argument was. Dit denkbeeld is een beetje geïnspireerd op de filosoof Peter Singer.[1] Ik ben door hem op zoek gegaan naar een criterium waaraan mensen wel voldeden, maar andere dieren niet, waardoor zij systematisch vastgehouden en mishandeld mochten worden, maar dit bij mensen niet ethisch zou zijn. Taalvermogen? Kijk eens naar mensen die ook geen taal kunnen leren of dit vermogen nog niet bezitten, zoals baby’s en misschien wel mensen met een verstandelijke beperking. Aan de hand daarvan ben ik van mening dat er eigenlijk geen verschillen zijn tussen mensen en dieren. Dieren kunnen lijden net zoals mensen, dat is al meerdere keren bewezen, en ze kunnen ook rouw ervaren en met elkaar communiceren. Ik wil trouwens niet suggereren dat iedereen in de wereld zo een-twee-drie veganist zou kunnen worden, maar in Nederland zijn er in mijn ogen wel veel mensen die het wel zouden kunnen doen. Daarom zou ik graag willen afsluiten met een vraag voor de lezer: zoek eens zo’n criterium, en ga eens na of er mensen buiten vallen. Zou je die mensen zo mogen behandelen als koeien in de bio-industrie?’

[1] In zijn boek ‘Animal Liberation’ gaat Peter Singer op zoek naar een morele grond om mensen anders te behandelen dan andere dieren.